CIVO - Vleesafdeling
CIVO - Vleesafdeling
Etentje met Angel Casal
Bezoek van prins Sayyid Shabib Bin Taimur Al Said
Mr. Pieter van Vollenhove bezoekt TNO Apeldoorn
Koot en Bie in de windtunnel van TNO Apeldoorn
Werk
Regelpaneel brandstofcel
Scheersalon
EHBO-team
Kerstviering
Varestraint testbank
Bezoek aan Museum van Arthur O. Bauer, verzameling Duitse elektronica uit de 2e Wereldoorlog, 27 oktober 2010
A  A  A

TNO Arbeid (1999 - 2005)


NIA’TNO B.V. 1996 – 1998
TNO Arbeid 1999 - 2005


1. Korte historie van het instituut

Per 1 september 1996 fuseerden het Nederlands Instituut voor Arbeidsomstandigheden (NIA, Amsterdam; 150 medewerkers) en de divisie Arbeid en Gezondheid van TNO Preventie en Gezondheid (Leiden; 70 medewerkers). Zowel beide organisaties als het ministerie van SZW zagen in dat een krachtenbundeling zinvol zou zijn in het kader van het streven naar een betere kennisinfrastructuur. Omdat het NIA niet onderdeel van TNO wilde worden en vanwege de geest van de tijd (commerciëler werken; het NIA werkte al voor 75% voor de markt) werd de nieuwe organisatie een B.V. met een statutair directeur en een Raad van Commissarissen. TNO was voor de helft eigenaar en leverde één van de vijf commissarissen. Voorzitter van de RvC was mr. A. Timmermans, de voormalige CFO in de Raad van Bestuur van DSM. Toen er onduidelijkheid ontstond over de pensioenverplichtingen voor (oud) NIA-medewerkers heeft het Pensioenfonds TNO die verplichtingen overgenomen. Daarnaast bleek het moeilijk om als B.V. via TNO basis- en doelfinanciering van de overheid te blijven ontvangen. Dat lijkt toch al gauw op valse concurrentie. Dit waren twee argumenten om NIA’TNO B.V. om te vormen tot een ‘gewoon’ TNO instituut. Per januari 1999 was er TNO Arbeid.

Het NIA (vanaf 1987) was een stichting met in het bestuur vertegenwoordigers (vanaf 1994 Raad van Toezicht op persoonlijke titel) van sociale partners en overheid. Het kwam voort uit een fusie van het Veiligheidsinstituut (vanaf 1953, daarvoor Veiligheidsmuseum, vanaf 1891) met de CCOZ (stichting voor Coördinatie van Communicatie met betrekking tot gegevens voor Onderzoek inzake Ziekteverzuim), die in 1976 was gevormd na het afstoten door het NIPG TNO van het Actieprogramma Ziekteverzuim van het ministerie SZW, omdat de toenmalige directie het registreren niet bij de taken van het NIPG vond horen en ook huiverig was voor opdrachtonderzoek.
TNO Arbeid ontwikkelde zich – zij het niet formeel, maar de facto – tot het ‘nationale instituut voor arbeid en gezondheid’ en werd als zodanig herkend en erkend in binnen- en buitenland.
TNO Arbeid werd in 2005 onderdeel van het TNO kerngebied Kwaliteit van Leven.

2. Werkterrein

Voor en na de fusie was er veel discussie over de positionering en de strategie. Wat moesten de kernactiviteiten van de nieuwe organisatie zijn. Centraal was onderzoek en advies ten voordele van mens en organisatie of in termen van het Europese beleid ten aanzien van gezondheid en veiligheid op het werk: “Improving quality and productivity at work”. Als voornaamste taken werden gezien beleidsonderzoek, monitoring en instrumentontwikkeling voor nationale en Europese overheden en voor arbeidsorganisaties. Op basis van verzamelde data zouden ook wetenschappelijke rapportages worden gemaakt.
Het advieswerk van TNO Arbeid moest ‘research based consultancy’ zijn. Een deel van het advieswerk, bijvoorbeeld het uitvoeren van risico-inventarisaties, werd beëindigd omdat de inmiddels gevormde commerciële arbodiensten dat als kernactiviteit hadden.
Ook werd de lange traditie van het NIA als uitgeverij afgerond. Belangrijke publicaties zoals het Chemiekaartenboek, nu Basisboek Chemische Veiligheid, dat in alle bedrijven en bij alle hulpdiensten binnen handbereik was en dat gemaakt werd door een grotendeels externe redactie, werden overgedaan aan commerciële uitgevers. De functie van nationale bibliotheek op het gebied van arbeid en gezondheid (NIA) werd geleidelijk afgebouwd met de toename van de elektronische informatievoorziening.
Het verzorgen van beroepsopleidingen werd eveneens niet meer als kernactiviteit gezien. Opleidingen voor bedrijfsartsen, verzekeringsartsen, arbeid- en organisatiedeskundigen voor arbodienstverlening, hogere veiligheidskundigen en middelbare veiligheidskundigen werden ondergebracht bij onderwijsinstellingen waarmee soms al samenwerking bestond.
Het onderzoek naar ziekteverzuim, dat door het NIPG en de CCOZ op de kaart was gezet werd afgebouwd omdat de registratie door het CBS was overgenomen en de nieuwe arbodiensten het advieswerk waren gaan doen.

In het verlengde van de samenwerking binnen het vroegere Dwarsverband Humanisering van Arbeid (HUMAR) bleven medewerkers van TNO Arbeid (soms intensief) samenwerken met medewerkers van andere TNO-instituten, met name op de werkterreinen gevaarlijke stoffen, technische veiligheid en procesinnovatie alsook in projecten voor specifieke branches zoals de bouw.

Veiligheid bleef een belangrijk onderwerp, waarbij de aandacht verschoof van technische veiligheid naar veiligheidsgedrag (drs. J. Gort). Aan activiteiten op het gebied van gezondheidsbescherming werd het onderwerp gezondheidsbevordering op het werk toegevoegd (prof.dr. G. Zwetsloot). Er kwam meer aandacht voor hoe alle arbokennis het beste systematisch geïmplementeerd kon worden: arbomanagementsystemen (drs. R. Visser). Een verbreding vond plaats richting personeelsbeleid of HRM, soms onder de noemer ‘goed werkgeverschap en goed werknemerschap’. De ergonomie was breed gericht op houding en beweging in bijna alle bedrijfstakken (prof.dr. P. Vink, prof. dr. M. de Looze). Het ging niet alleen om het voorkomen van klachten aan het bewegingapparaat maar ook om het bevorderen van comfort en productiviteit. De aanpak van TNO Arbeid was ‘participatory ergonomics’, hetgeen zoveel betekent als dat bij het verbeteren van processen de werknemers en hun directe bazen worden betrokken en dat bij het verbeteren van producten (bijvoorbeeld gereedschap) de eindgebruikers worden betrokken. Speciale aandacht was er voor RSI (repetitive strain injury) als gevolg van langdurig statisch beeldschermwerk (mw. prof.dr.ir. P.M. Bongers), dat een belangrijk beroepsrisico was geworden. Hetzelfde gold voor werkgebonden stressrisico’s (mw.dr. I.Houtman). In het verlengde van het werk rond ‘welzijn bij de arbeid’ werden in samenspraak met sociale partners en de SER onderzoeks- en adviesprojecten ontwikkeld rond het thema ‘slimmer werken’, ook ‘sociale innovatie’ en in het Engels ‘workplace innovation’ genoemd (mw. ir. G. van Rhijn, mw. dr. S. Vaas, prof.dr. S. Dhondt). Daarmee werd beoogd om gelijktijdig de organisatieprestaties (productiviteit, innovatief vermogen) en de kwaliteit van de arbeid te verbeteren. Een belangrijk aandachtspunt bleef de re-integratie van uitgevallen werknemers en de integratie van mensen met een arbeidshandicap (C. Wevers, arts, prof.dr. R. Blonk). Deze groepen legden een fors beslag op de publieke middelen. TNO Arbeid attendeerde op de gebrekkige samenwerking tussen de bedrijfsgezondheidszorg en de curatieve gezondheidszorg, waar men weinig tot geen rekening hield met wat voor werk mensen doen, noch bij de diagnose, noch bij het re-integratieproces (een ‘blinde vlek’). TNO deed onderzoek, bracht beroepsverenigingen bij elkaar, samen met de ministeries van VWS en SZW en begeleidde experimenten (dr. P.G. Buijs).
Monitoren werd belangrijker toen de overheid zich meer op afstand ging opstellen en toch een vinger aan de pols moest houden. Voorbeelden daarvan zijn de de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA,van TNO, later samen met het CBS) (dr. P.G.W. Smulders), de monitor ‘Arbeidsongevallen in Nederland’ (vanaf 2005 opgenomen in de NEA) en het onderzoek ‘Bewegen in Nederland’ (dr. V. Hildebrandt) in samenwerking met TNO Preventie en Gezondheid. TNO Arbeid publiceerde in opdracht van het ministerie van SZW regelmatig “Trends in Arbeid’ en “Arbobalans’.
Eén van die trends was flexibilisering en daar werd vervolgens veel onderzoek naar gedaan (mw. dr. A. Goudswaard). Een andere trend was de ouder wordende beroepsbevolking. TNO probeerde dat aan te kaarten en publiceerde erover, maar er was in die tijd nog niet veel belangstelling voor. Hetzelfde gold voor het onderwerp ‘arbeid in de informatiemaatschappij’.
Organisaties en sectoren moesten zelf meer verantwoordelijkheid nemen en werden wettelijk verplicht een risicoinventarisatie en –evaluatie (RIE) uit te voeren. TNO Arbeid ontwikkelde daarvoor de methodieken en de (digitale) tools (drs. G. Reinders), een ervaring die later benut kon worden om dit op Europees niveau te doen voor het European Agency for Safety and Health at Work (EU OSHA in Bilbao).

Enkele topadviseurs/onderzoekers (drs. W. Masselink, drs. T. Stevens, drs. A.A.F. Brouwers) vervulden ook nog een ander soort taken zoals coördinator van een sector arboconvenant (bouw, financiële dienstverlening), directeur van het door het ministerie van SZW als adviesorgaan opgerichte Arboplatform (mw. drs. M. Oostindie), directeur van de Stichting Expertise Centrum Reïntegratie (STECR, mw. drs. M. Oostindie) en coördinatie van de jaarlijkse prijs ‘Kroon op het Werk’ voor het bedrijf met het beste beleid ten aanzien van integratie van mensen met een arbeidshandicap (drs. W. van Ginkel).

De internationale posities van het NIA en van het NIPG konden verder worden uitgebouwd. TNO Arbeid werd de facto het ‘nationale instituut voor arbeid en gezondheid’ en partner van de officiële nationale instituten in andere landen. Behalve de medewerkers in Hoofddorp werden daarbij in toenemende mate ook de arbeidsstoxicologen betrokken, die bij TNO Voeding in Zeist waren ondergebracht vanwege de daar beschikbare laboratoria. In Europa vormden die nationale instituten PEROSH (Partnership for European Research Occupational Safety and Health), waarvan de directeur van TNO Arbeid de eerste voorzitter was. TNO Arbeid werd naast het Coronellaboratorium van de UvA de tweede Nederlandse vertegenwoordiger bij de WHO Collaborating Centres Occupational Health en lid van het Global Planning Committee. Eveneens werd het instituut ‘national focal point’ van EU OSHA en ‘national correspondent’ van Eurofound (European Foundation for the Improvement of Living and Working Conditions, in Dublin). Toen de Commissie Ontwikkelingsproblematiek Bedrijven (COB, voorheen Commissie Opvoering Productiviteit) van de SER ophield te bestaan nam TNO Arbeid diens plaats over als Nederlandse vertegenwoordiger in de European Association of National Productivity Centres (EANPC). TNO Arbeid was ook de Nederlandse vertegenwoordiger in het European Work Organisation Network (EWON) van de Europese Commissie (DG Employment). Behalve deze institutionele verbanden waren er natuurlijk nog veel meer internationale relaties in het kader van internationale projecten, congressen, netwerken zoals het European Network for Workplace Health Promotion (dr. R.W.M. Gründemann, prof.dr. G. Zwetsloot), enz. In beroepsverenigingen en redacties van wetenschappelijke tijdschriften speelden TNO-ers vaak een prominente rol; het beste voorbeeld daarvan is de Federation of the European Ergonomics Societies (FEES) en de International Ergonomics Association (IEA; dr.ir. J. Dul, prof.dr. P. Vink, ir. E.A.P. Koningsveld).
Binnen Nederland was TNO Arbeid aanvankelijk een soort huislaboratorium voor het ministerie van SZW. Een mooi voorbeeld daarvan is dat NIA’TNO, respectievelijk TNO Arbeid, samen met een extern bureau om de twee jaar het Arbeidsomstandighedencongres organiseerde, waar ‘tout le monde’ op arbogebied in Nederland spreker of toehoorder was. Die status binnen Nederland veranderde toen de overheid meer op afstand ging opereren, meer marktwerking wilde en TNO ging beschouwen als één van de mogelijke opdrachtnemers. Internationaal veranderde de status van ‘nationaal instituut’ niet.

3. Opdrachtgevers

Over de zogenaamde overheidsfinanciering (basis- en doelfinanciering) werden meerjarenafspraken gemaakt met de ministeries van SZW en VWS. Deze ministeries waren daarnaast ook financier van specifieke opdrachten. Bij het ministerie van VWS liep dat via ZonMw.
Omdat de overheidsfinanciering geleidelijk afnam werd meer aandacht besteed aan het verwerven van opdrachten, zowel bij de overheid als bij private en andere publieke organisaties. Deze marketingactiviteiten werden gecoördineerd door drs. R. van der Maarel. Opdrachten op de bovengenoemde werkvelden werden in alle sectoren uitgevoerd, zowel op sectorniveau (o.a. bouw, vervoer, chemie) als bij afzonderlijke organisaties (banken, ziekenhuizen, bouwbedrijven, kantoormeubilair, Philips, Hoogovens, KLM, enz.), vaak ook in het midden- en kleinbedrijf (slimmer werken). In toenemende mate werden opdrachten verworven uit EU-onderzoeksfondsen en van EU-instellingen (bijvoorbeeld EU-OSHA, Eurofound). In de vorm van EU-opdrachten werd eveneens gewerkt aan het verbeteren van arbowetgeving en arbeidsinspecties in enkele ‘new member states’ en zelfs daarbuiten in de Russische Federatie. Ook het internationale bedrijfsleven plaatste soms opdrachten bij TNO Arbeid (o.a. Nokia, Bombardier, BMW, Boeing).
Aanvankelijk waren ook de nieuwe arbodiensten wel opdrachtgever, maar dat nam af naarmate die leerden om dingen zelf te doen.
Al met al stond de maatschappelijke impact voorop en niet de winstgevendheid van de projecten. Bij verreweg het grootste deel van de omzet waren overheden betrokken (basis- en doelfinanciering, opdrachten, subsidies aan bedrijven of sectoren).

4. Instituutsleiding

NIA’TNO B.V. 1996 – 1998. Prof.dr. F.D. Pot, directeur, drs. B.G.M. Ris, adjunct directeur, mw. drs. M. Verschuren, directiesecretaris.
TNO Arbeid 1999 – 2005. Prof dr. F.D. Pot, directeur, drs. B.G.M. Ris adjunct directeur (tot 2000) en mw. N. Harize, adjunct directeur (vanaf 2000), mw. drs. M. Verschuren, directiesecretaris.

5. Hoe zag de ontwikkeling van het personeelbestand eruit?

Bij de start van NIA’TNO waren er 220 medewerkers. De aantallen mannen en vrouwen waren en bleven ongeveer gelijk. Dat was aanvankelijk niet het geval voor de managementposities, maar rond 2000 was daarin ook een 50/50 verhouding. De ‘echte onderzoekers’ stonden aanvankelijk gereserveerd tegenover het advieswerk van het NIA en de ‘echte adviseurs’ gereserveerd tegenover het onderzoek van TNO. Maar in beide groepen waren er nogal wat mensen die de voordelen van de combinatie zagen.
Aan de NIA-kant was helaas sprake van een afdeling met slechte onderlinge verhoudingen, waar ook nog eens de marktperspectieven verslechterden. De aanpak daarvan bracht zelfs gedwongen ontslagen met zich mee, maar de ondernemingsraad en de vakbonden konden instemmen met de manier waarop dat gebeurde.
Beide groepen hadden een sterke traditie van personeelsactiviteiten. De eindejaarsfeesten waren daarvan het hoogtepunt, met life muziek van eigen medewerkers, een koor, cabaret enz. En altijd dansen. De competitie ‘jeu de boules’ mocht zich elke zomer in een grote belangstelling verheugen.
Belangrijk voor de sfeer waren ook de kunstwerken die overal stonden en hingen, deels geleend, deels van eigen medewerkers. Cootje Buisman was daarachter de drijvende kracht.
De goede sfeer bleek ook uit de scores op de werknemerstevredenheidsonderzoeken. Evenals bij TNO Technische Menskunde en TNO INRO waren de scores bij TNO Arbeid altijd zeer hoog.

6. Huisvesting

Eind 1996, begin 1997 trokken de medewerkers van de divisie Arbeid en Gezondheid van TNO in bij het NIA aan de De Boelelaan 30 in Amsterdam, dit als tijdelijke oplossing. Onder leiding van de directie NIA’TNO en met instemming van de RvC werd in 1998 nieuwbouw in Hoofddorp gepleegd aan de Polarisavenue 151. Architect was Hans van den Oever van OeverZaaijer architectuur en stedebouw Amsterdam. Het gebouw werd ontworpen voor flexibele werkplekken, wat in die tijd nog een zeldzaamheid was. Omdat medewerkers voor een deel thuis gingen werken en voor een deel bij klanten, kon worden volstaan met minder werkplekken. De stijl van leidinggeven was daarop aangepast. De eigen ergonomen vormden een werkgroep om de eisen van een moderne kantoorinrichting te formuleren. Er moest een centraal trappenhuis komen, dat een ontmoetingsplaats zou kunnen zijn en mensen zou stimuleren om de trap te nemen in plaats van de lift. Het gebouw heeft 4 kantoorverdiepingen met een bruto vloeroppervlak van 5.130 m2 en een verhuurbaar vloeroppervlak van 4.516 m2. Er was een ergonomisch laboratorium en er waren cursusruimtes. De medewerkers voelden zich zeer thuis in hun eigen gebouw en bezoekers gaven vaak aan dat ze het een prettig gebouw vonden. Een andere ontwerpeis was dat er een ‘jeu de boules’ baan in de tuin moest komen.

Vanwege bezuinigingen, inkrimpingen en samenvoegingen gingen de bewoners in augustus 2014 naar Leiden (Schipholweg).

7. Bijzonderheden

a) TNO Arbeid was verantwoordelijk voor de publicatie ‘Corporate social responsibility and safety and health at work’ door Gerard Zwetsloot en Annick Starren, met medewerking van collega’s uit de PEROSH-instituten, een opdracht van en uitgegeven door EU OSHA in 2004. Het boek is digitaal beschikbaar en in de eerste drie jaar na verschijnen al meer dan 80.000 keer gedownload. Het is ook in het Duits, Italiaans, Pools en Spaans verschenen.
https://osha.europa.eu/en/tools-and-publications/publications/reports/210/view

b) Een interessante ontdekking was dat het werk van TNO Arbeid voor een belangrijk deel in de traditie staat van het werk van ir. Theo van der Waerden, die van 1932 tot 1938 deel uitmaakte van het bestuur van TNO als afgeleide van zijn ambt als lid van de Tweede Kamer. Zijn proefschrift van 1911 "Geschooldheid en techniek: onderzoek naar den invloed van arbeidssplitsing en machinerie op de mate van vereischte oefening en bekwaamheid der arbeiders" is nog steeds actueel gezien de recente discussie over robotisering en digitalisering.
http://www.parlement.com/id/vg09llcpf8xk/th_theo_van_der_waerden
http://socialhistory.org/bwsa/biografie/waerden

c) Verder lezen:
Jacques T. Allegro. TNO Arbeid. De inzet van mensen in historisch perpectief. Hoofddorp:TNO, 2004 (aangevulde versie van Jacques T. Allegro. NIA’TNO. De inzet van mensen in historisch perpectief. Hoofddorp: NIA’TNO, 1997.)
Lees ook: 40 jaar werken aan beter werk (auteur Ernst Koningsveld).

(Frank Pot, september 2015)



<< Terug naar het overzicht