Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen (NITG)

Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen TNO (NITG-TNO)

1. Korte historie
Reeds in de aanbevelingen in 1925 van de Commissie Went - ingesteld om met een advies te komen voor een op te richten organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek in Nederland - wordt voorgesteld om o.a. de Geologische Dienst (“Het subsidie aan den Geologischen Dienst”) en het Rijksbureau voor Drinkwatervoorziening onder één koepel te brengen.
In 1973 wordt de Commissie Dozy ingesteld, die in 1977 onder meer aanbeveelt de huidige mate van spreiding van geologische werkzaamheden over 11 diensten waar mogelijk te reduceren. De toenmalige directeuren van de Dienst Grondwaterverkenning TNO (Frans Walter) en de Rijks Geologische Dienst (Bob Hageman) waren het hier hartgrondig mee eens en hebben bij het Ministerie van Economisch Zaken een plan gedeponeerd om beide diensten te integreren en gezamenlijk te huisvesten. Door een samenloop van omstandigheden, met name verwikkelingen rond de huisvesting van de RGD, is dit plan niet verder uitgewerkt.
In 1993 wordt in het advies van de Commissie Wiegel (Externe Commissie Organisatie en Functioneren van de Rijksdienst) o.a. de Rijks Geologische Dienst (RGD) aangemerkt als te verzelfstandigen rijksdienst, hetgeen na overleg tussen EZ, RGD en TNO leidt tot de instelling in 1994 van de Stuurgroep van Engelshoven (Stuurgroep Organisatie Geowetenschappelijk Onderzoek Nederland) die in 1995 met haar advies komt inzake een verbeterde opzet van het toegepast geowetenschappelijk onderzoek en advisering in Nederland. Dit leidt in oktober 1996 tot het kabinetsbesluit om “de Rijks Geologische Dienst onder te brengen in de Organisatie TNO en samen te voegen met het Instituut TNO Grondwater en Geo-energie. Aldus ontstaat één instituut onder de naam Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen (NITG)”. In operationele zin is het nieuwe instituut per 1 januari 1997 van start gegaan; formeel is de startdatum 1 september 1997.
Met de vorming van de Kerngebieden binnen TNO in 2004, werden de bestaande TNO-instituten opgeheven. Doordat echter het NITG middels een aparte Raamovereenkomst tussen TNO en de Staat tot stand was gekomen, kon de opheffing van het instituut niet zondermeer plaatsvinden en is pas per 1 juli 2005 na uitvoerig overleg met het ministerie van Economische Zaken het NITG als instituut opgeheven en is deel gaan uitmaken van het Kerngebied Bouw en Ondergrond.


2. Werkterrein

Het NITG werd gepositioneerd als hèt centrale geo-wetenschappelijke informatie- en onderzoeksinstituut van Nederland, ten behoeve van het duurzaam beheer en gebruik van de ondergrond en de ondergrondse natuurlijke bestaansbronnen. Het instituut richtte zich op het inzamelen, verwerven, kwaliteitsborgen, archiveren, analyseren, interpreteren en verstrekken van geowetenschappelijke data en informatie betreffende de Nederlandse ondergrond. Voorts het verrichten van geowetenschappelijk en gerelateerd technologisch onderzoek. Ook complexe geowetenschappelijke advisering, waaronder het als huislaboratorium adviseren van het Ministerie van Economische Zaken inzake de exploratie en productie van delfstoffen, geothermische energie en opslag van stoffen in de diepe ondergrond, behoorde tot de taken van het instituut. Voorts het toegankelijk maken en overdragen van niet-confidentiële geowetenschappelijke kennis en andere resultaten van onderzoek en tenslotte het realiseren van een doelmatige en doeltreffende aansluiting van universitair en toegepast geowetenschappelijk onderzoek en advisering.
De toepassingsgebieden van de geowetenschappelijke kennis liggen in het verantwoord gebruik van de ondergrondse natuurlijke bestaansbronnen (o.a. delfstoffen), de ondergrondse ruimte (mogelijkheden voor aanleg infrastructuur en voor opslagdoeleinden), de zorg voor het aards milieu (verontreinigingen van de ondergrond en het grondwater, alsmede de milieuaspecten van het gebruik van de ondergrond) en de aardse risico’s (door de mens veroorzaakte bodemdaling, aardbevingen en zeespiegelstijging en de daaraan gerelateerde overstromingen).
Dit betekende de volgende werkgebieden:
• Ontwikkeling van geowetenschappelijke informatiesystemen en geo-applicatiesystemen
• Toegepast onderzoek en advies op het gebied van geo-mariene data-acquisitie, kartering en kustonderzoek
• Toegepast geologisch, geofysisch en geomechanisch onderzoek en complexe geo-advisering inzake de ondiepe ondergrond en de daarin voorkomende natuurlijke bestaansbronnen
• Toegepast onderzoek en advisering op het gebied van grondwatermeetnetten, -kartering, -systemen en –beheer
• Toegepast onderzoek en complexe geo-advisering betreffende bodemkwaliteit, de geochemische samenstelling van de bodem/ondergrond en bodemsanering, alsmede paleo-ecologische en klimaatreconstructies (het paleomilieu)
• Toegepast onderzoek en advisering op het gebied van exploratie en productie van aardgas en aardolie, alsmede geothermische energie, ondergrondse opslag van energie (aardgas, koude, warmte) en energieresiduen.
• Verwerving, kwaliteitsborging, archivering, analyse en interpretatie van aan de Mijnwet gerelateerde, vertrouwelijke, geowetenschappelijke informatie over Nederland.

3. Opdrachtgevers
Gezien het algemeen belang van een duurzaam gebruik en beheer van de ondergrond en de daarin voorkomende natuurlijke bestaansbronnen, is de overheid een belangrijke klant/opdrachtgever. Met name het Ministerie van Economische Zaken en de toenmalige ministeries van LNV, VROM en V&W, alsmede BiZa, BuZa en OC&W en daarnaast de provinciale en gemeentelijke overheden en de waterschappen; daarnaast ook de nutsbedrijven.
Belangrijke aanvullende onderzoeksfinanciering is verkregen van de verschillende (toenmalige) programmabureaus (m.n. CUR, ICES, Novem, Senter, STOWA) en de EU-kaderprogramma’s.
Andere klanten/opdrachtgevers betroffen de advies-, ingenieurs- en software bureaus, alsmede binnenlandse en buitenlandse toeleveringsbedrijven en industrieën.
Omdat de focus ook nadrukkelijk gericht was op landen in ontwikkeling en in overgang waren ook de Wereldbank en andere internationale financiële instellingen opdrachtgever van het NITG.
Tenslotte was door de functie van centraal informatie-instituut van geowetenschappelijke gegevens en informatie van de Nederlandse ondergrond en de daarin voorkomende natuurlijke bestaansbronnen het Nederlandse publiek klant van het NITG.

4. Instituutsleiding
Dr. H. Speelman, directeur (1997 – 2004)
Ir. J. Ridder, adjunct-directeur, M&P management (1997-2000 en 2002-2004), directeur (2004-2005)
Dr. Ing. M.J. van Bracht, directeur (2005)
Dr. C. J. van Staalduinen, adjunct-directeur, Interne zaken (1997- 2000?)
Dr. H.M. van Montfrans, adjunct-directeur, realisatie nieuwbouw (2002?)
Ir. P.J. Koers, adjunct-directeur, M&P management (2000-2001)
Ir. H.P. Baars, adjunct-directeur (2004-2005)

5. Ontwikkeling personeelsbestand
Bij de vorming van het NITG werden de medewerkers van de Rijks Geologische Dienst en van TNO Grondwater en Geo-energie samengevoegd tot medewerkers van het NITG. Eind 1997 bedroeg het aantal in de vestiging Delft ca. 140 medewerkers, in Haarlem ca. 130 medewerkers en in de nevenvestigingen in Heerlen, Nuenen, IJmuiden en Zwolle in totaal 60 medewerkers; in totaal ca. 330 medewerkers (naast enkele tientallen medewerkers in tijdelijke dienst). Dit aantal nam enkele jaren licht af en bleef schommelen rond de 300 vaste medewerkers.

6. Huisvesting
Bij de vorming van het NITG waren er 2 hoofdvestigingen: Delft (Schoemakerstraat 97, voormalig TNO Grondwater en Geo-energie) en Haarlem (Richard Holkade 10, voormalig Rijks Geologische Dienst). Voorts waren er nog nevenvestigingen in Heerlen, Nuenen, IJmuiden en Zwolle (regiokantoren van de voormalige Rijksgeologische Dienst).
Na rijp beraad werd gekozen voor een nieuwe locatie voor de hoofdvestiging in Utrecht op het terrein van de Universiteit Utrecht (de Uithof). Voornaamste argument was dat in Utrecht de grootste faculteit Aardwetenschappen aanwezig was. De nieuwbouw startte in 2000 en in 2002 werd het nieuwe gebouw aan de Princetonlaan betrokken.
Vooruitlopend hierop werden delen van het NITG tijdelijk ondergebracht in gebouwen van de voormalige Kromhoutkazerne in Utrecht; het voormalig district West van de Rijksgeologische Dienst werd al gehuisvest op de Uithof, tijdelijk in een gebouw tegenover de nieuwbouwplek.
Rond 2000 werd het kantoor in Heerlen gesloten en werden de werkzaamheden overgebracht naar Nuenen. In 2002 werden, met het centraliseren van alle werkzaamheden in de nieuwe vestiging in Utrecht, de kantoren Nuenen en Zwolle gesloten.
De werkplaats in IJmuiden ten behoeve van het onderzoek op zee is in 2007 als Marine Sampling Holland verzelfstandigd.

7. Bijzonderheden
Na de vorming van de Kerngebieden en opheffing van het NITG als instituut, zijn in 2010 de activiteiten op het gebied van toegepast onderzoek en specialistisch advies voor de ondiepe ondergrond van TNO overgegaan naar een nieuwe GTI: Deltares (samengaan van het Waterloopkundig Laboratorium (WL), GeoDelft (GD), Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling (RIZA) en het grootste deel van de Business Unit Bodem en Grondwater van het kerngebied Bouw en Ondergrond). In verband met de informatiefunctie betreffende de ondergrond van TNO is karakterisering van de ondiepe ondergrond een activiteit van TNO gebleven als herkenbare entiteit “Geologische Dienst Nederland-TNO”, nu onderdeel van het Thema Energie.
De oorsprong uit de veertiger jaren van de Commissie voor Hydrologisch Onderzoek (CHO-TNO) is qua grondwateronderzoek verdwenen uit TNO; de oorsprong van het Centraal Geohydrologisch Archief, geformuleerd door diezelfde CHO-TNO, is nog altijd middels DINO (Data en Informatie Nederlandse Ondergrond binnen de informatiefunctie van de Geologische Dienst Nederland) onderdeel van TNO.

(2013, Jan-Anne Boswinkel)

figuur 1. Roots NITG