Kunststoffen en Rubber Instituut (KRI)

Rubberinstituut TNO (1941 – 1968)
Kunststoffeninstituut TNO (1946 – 1968)
Kunststoffen- en Rubberinstituut TNO (1968 – ?)
Kunststoffen en Rubber Instituut TNO (? – 1994)
Kunststoffen en Rubber Instituut / Branchecentra (1994 – 1997)


Hoe het begon
Het Kunststoffen en Rubberinstituut TNO ontstond als een fusie van het Rubberinstituut TNO en het Kunststoffeninstituut TNO toen beide onderdelen in 1968 samenkwamen in het nieuwe TNO-complex Zuidpolder.
Het Rubberinstituut TNO stamde af van de in 1910 door Gerrit van Iterson jr. (later de tweede voorzitter van TNO) opgerichte Rijksvoorlichtingsdienst ten behoeve van de Rubberhandel en de Rubbernijverheid (Rijksrubberdienst), die zich bezighield met speurwerk en ontwikkeling van keuringsmethoden en -eisen. Met zijn rubberplantages in Nederlands-Indië speelde Nederland ook internationaal een belangrijke rol op rubbergebied. De Rijksrubberdienst werd in 1941 aan TNO overgedragen en kreeg de naam Rubberinstituut TNO. Directeur was tot aan de fusie prof.dr.ir. Arnold van Rossem.
Hoofdtaken van het Rubberinstituut TNO, gevestigd aan de Julianalaan 67 in Delft, waren voorlichting en keuringswerk. Men beschikte over een complete, mini-rubberfabriek. Verder een chemisch lab en faciliteiten voor speciaal onderzoek, bv aan latexrubber. Op bepaalde gebieden was sprake van een competitiesituatie t.o.v. de onderzoeksafdeling van de Rubber-Stichting

Niet helemaal toevallig stamt ook het Kunststoffeninstituut TNO uit de rubberwereld. In dit geval de Rubber-Stichting, opgericht in 1936 om wetenschappelijk onderzoek en voorlichting uit te voeren (betaald door het bedrijfsleven). De onderzoekspoot van de Rubberstichting zat aan de Oostsingel in Delft
Uit het TNO jaarverslag over de periode 1943 – 1946 komt de volgende passage.
In het begin van 1943 maakten de Duitsers bekend dat een groot deel van het personeel van de Rubber-Stichting in Duitsland te werk gesteld zou worden, omdat researchwerk over natuurlijke rubber door hen onbelangrijk geacht werd, daar er praktisch geen natuurrubber meer was. Vanwege de stichting werd bij de Duitsers opgemerkt, dat in Nederland dringend behoefte was aan een Kunststoffeninstituut en dat juist het personeel der Rubber-Stichting daarvoor het meest geschikte in de lande was. Immers, rubber en kunststoffen zijn zó verwant, dat de overschakeling voor de hand lag. De oprichting van het Kunststoffeninstituut bij de Rubber-Stichting werd door de Duitsers geaccepteerd, waardoor de uitzending van het personeel werd ingetrokken.

Het instituut werd geleid door dr.ir. Roelof Houwink, een van de leidende figuren binnen de Rubber – Stichting en een van de Nederlandse kunststofpioniers. Gedurende enige jaren is er bij de Rubber-Stichting inderdaad actief aan kunststoffenproblemen ten bate van de Nederlandse industrie gewerkt. In het geheim werd echter ook doorgewerkt aan rubberproblemen. Toen de Rubber-Stichting zich na de bevrijding weer wilde wijden aan haar oorspronkelijke taak, de gebruiksontwikkeling van plantagerubber, kon zij zich niet meer bezighouden met onderzoek aan kunststoffen. Het Kunststoffeninstituut werd per 1 april 1946 aan TNO overgedragen en kreeg de toevoeging TNO.

Hoe het verder ging
Het nieuwe instituut werd ondergebracht op de Julianalaan 134 te Delft (het Julianagebouw van de TH Delft), een adres waar meer TNO-onderdelen onderdak vonden. Veel ruimte was er aanvankelijk niet nodig. Alle oorspronkelijke medewerkers waren terug naar hun functie bij de Rubber-Stichting. Het nieuwe instituut bestond uit eerste directeur ir. L.C. Stoutjesdijk en zijn secretaresse, samen op één kamer. Eerste opgave: medewerkers werven. En dat ging hard. Na tien jaar was de personeelssterkte gegroeid tot ruim 180.
Tijdens de oorlog was, zeker in de VS, de kunststofindustrie een belangrijke bedrijfstak geworden. Na de oorlog was er in ons land sprake van een aanzienlijke kennisachterstand. Daarom werd voorlichting voor het nieuwe instituut eerste prioriteit. Maar ook de verstandige toepassing van de nieuwe materialen verdiende aandacht. Voorkomen moest worden dat gebruikers teleurgesteld zouden worden. Lange tijd heeft de sector en ook het instituut geworsteld met het matige publieke imago van plastics.
Er werden vier afdelingen geformeerd:
- Een Wetenschappelijke Afdeling (waarvan in 1954 een groot deel werd overgeheveld naar het nieuw gevormde Centraal Laboratorium TNO o.l.v. dr. A.J. Staverman) voor verkennend onderzoek;
- Een afdeling Voorlichting, Documentatie en Octrooien, waaruit later de Economisch Technische Afdeling (ETA) ontstond; in 1956 beschikte men al over een bibliotheek met 2100 boeken en 280 tijdschriften;
- Een afdeling Industriële Research (later Technologische Afdeling) die contractonderzoek uitvoerde;
- Een afdeling Keuringen en Analyses.
In 1955 werd een nieuwe afdeling Gewapende Kunststoffen gevormd die een eigen onderkomen kreeg op de Breestraat 1 in Delft.
Het instituut speelde een belangrijke rol bij de naoorlogse ontwikkeling van de Nederlandse kunststoffenindustrie. TNO was nauw betrokken bij bepalingen in de Warenwet, meer i.h.b. het Ontwerp Verpakkingsbesluit, aangaande te toxiciteit van kunststoffen en hulpmiddelen die in contact komen met voedingsmiddelen. Veel waardering was er voor de door TNO georganiseerde Kunststoffendagen, die vanaf 1953 35 keer zijn georganiseerd. In 1947 startte TNO met de uitgave van vakblad ‘Plastica’ (later ‘Kunststof & Rubber’). Een opmerkelijk initiatief was de Kunststofwerkplaats uit de jaren tachtig waar Jaap Heij de scepter over zwaaide. Bedoeld om beeldend kunstenaars kennis te laten maken met de nieuwe kunststofmaterialen.

Het Kunststoffeninstituut TNO verhuisde in 1967 van de Julianalaan 134 naar het TNO-complex Zuidpolder. Het jaar daarna volgde, vanuit de Julianalaan 67 het Rubberinstituut, waar Stoutjesdijk in 1954 ook directeur van was geworden. Ten tijde van de verhuizing zwaaide diens opvolger drs. R. Tunteler (vanaf 1957) de scepter over beide onderdelen, die in 1968 officieel samengingen tot het Kunststoffen en Rubberinstituut TNO dat brede bekendheid verwierf met het acroniem KRITNO.

Als het KRITNO in 1986 veertig jaar bestaat wordt een boek uitgegeven waarin wordt teruggekeken en vooruitgekeken. Het instituut komt met een aantal bijdragen van relatief fundamenteel materiaalonderzoek. Zo behandelen L.C.E. Struik, D.J. van Dijk en J.D.M. Wisse verschillende aspecten van verouderingsprocessen. J. van Turnhout behandelt elektrische eigenschappen (o.m. elektreten). K.E.D. Wapenaar behandelt het onderwerp geleidende polymeren en P. Klaase de piëzopolymeren en hun mogelijke toepassingen. J.H.M. Albers kijkt naar membraantechnologie, i.h.b. naar holle-vezelmembranen. J. Olijslagere en J. Feijen behandelen de gereguleerde afgifte van bioactieve stoffen (zoals feromonen) en A.H.A Tinnemans besteedt aandacht aan hydrofiele polymeerlegeringen. Deze onderwerpen geven een beeld van (een deel) van het aandachtsgebied van het instituut in de jaren tachtig en negentig.

Het instituut wordt in 1997 opgeheven. Onderdelen worden ondergebracht in het nieuwe instituut TNO Industrie dat zich vestigt in Eindhoven.

Locaties
Rubberinstituut TNO: Juliananlaan 67, Delft, van 1941 - 1968
Kunststoffen Instituut TNO: Julianalaan 134,Delft, van 1946 - 1967
Kunststoffen en Rubber Instituut TNO: Schoemakerstraat 97, Delft, van 1968 - 1997

Leiding
Rubberinstituut TNO
Prof.dr.ir. A. van Rossem (1941 – 1954)
Ir. L.C. Stoutjesdijk (1954 – 1957)
Drs. R. Tunteler (1957 – 1968)

Kunststoffeninstituut TNO
Ir. L.C. Stoutjesdijk (1946 – 1957)
Drs. R. Tunteler (1957 – 1968)

Kunststoffen en Rubber Instituut TNO
Drs. R. Tunteler (1968 – 1971
Dr.ir. P.J. Bakker (1971 – 1980)
Dr.ir. L.C.E. Struik (1980 – 1991)
Dr. A.P. van der Veek (1991 – 1994)
Mw. drs. Y.E.C. Versluys (1994 – 1997)

(Gerard van de Schootbrugge, november 2014)